Skip to content

‘Kinderen zijn ontzettend begaan met milieu en klimaat’

Toen we contact legden stelde Thijs Goverde voor het gesprek te houden in de hut van wilgentakken die hij in zijn voedselbos heeft gebouwd. Als het koud zou zijn konden we een vuurtje stoken om ons te warmen.
Maar als ik op de afgesproken dag aankom en over het zompige graspad naar de voorgestelde plek loop kan ik er niet eens bij komen. De hut zelf staat ook onder water. De kans op een kampvuurtje is duidelijk verkeken. Een eindje verder tref ik Goverde aan terwijl hij spullen uit een kruiwagen staat te laden: ‘Ja. Oktober is wel erg nat geweest. Maar het is gelukkig niet koud en het regent niet, dus we kunnen wel droog zitten’. Hij stoft een paar stoelen af en onder een boom hebben we een uitzicht over de drassige boomgaard. Een stevige wind jaagt een paar dreigende de wolken resoluut weg en de zon breekt zelfs nog even door.

Thijs Goverde begon dit voedselbos in 2017 en schreef er in 2022 Supergroen over. Voor- en achterin dat boek staat een plattegrond van het bos, die wel erg versimpeld is, zo blijkt in het gesprek. Er staan amper een stuk of twintig vruchtdragende struiken in getekend, maar het zijn er in werkelijkheid al rond de honderddertig. En dus ook veel andere dan in het boek beschreven staan. Zojuist wees hij me al op een kniehoge tamme kastanje: ‘Daar heb ik hier drie verschillende soorten van staan’. En als ik wat verbaasd opmerk dat ik altijd aannam dat je maar twee soorten kastanjes had, de tamme en de wilde, vult hij mijn kennisachterstand aan. ‘De tamme soort die jij bedoelt staat hier ook. Daar kan ik over een jaar of tien al de vruchten van plukken. Veel mensen gaan ze gewoon in het bos rapen, tegen de zin van de boswachters, want het is eigenlijk winterkost voor everzwijnen en muizen en zo. De soort waar we nu bijstaan heeft als bijzonderheid dat de bolster gewoon aan de tak blijft hangen als de kastanje rijp is en naar beneden valt’.

Ooit studeerde Goverde filosofie. Dat zat er al jong in: ‘We vertaalden op school Plato en ik vond het dan heerlijk om met de lerares een discussie aan te gaan als ze hem weer eens volledig gelijk gaf. Zo’n dispuut kon wel een halve les duren; de rest van de klas vond dat best, want niemand hoefde meer bang te zijn dat hij een beurt kreeg.
Dat ik uiteindelijk filosofie ging studeren is toevallig, want ik wilde een studie film en opvoeringskunsten gaan doen. Daarvoor moest je een propedeuse filosofie hebben. Maar het was me al snel duidelijk dat die opleiding het niet was voor me en ik ben toen cultuurfilosofie gaan studeren. Dat lag me wel’.

Toch heb je daar niet je werk van gemaakt. Waarom niet?
‘Er zijn weinig onderzoeksplekken voor filosofen te vergeven. Je moet er wel een kruiwagen voor hebben. En eigenlijk ben ik ook geen filosoof. Ik ben meer schrijver. Dat schrijverschap ontstond al tijdens mijn studie. Ik zat toen in een clubje van medestudenten van allerlei richtingen waarin we verhalen en poëzie schreven. Die lazen we aan elkaar voor – en kraakten ze af. Ik ben de enige uit die club die er later zijn beroep van heeft gemaakt’.

Waren dat toen al kinderverhalen?
‘In dat clubje nog niet, maar ik begon daar al snel mee. En die verhalen bleken aan te spreken. Ik ben gedebuteerd in Donald Duck. Dat had midden in het blad altijd een verhaal van bekende schrijvers zoals Paul Biegel en Tonke Dragt, dus toen er een van mij werd geplaatst was dat wel een flinke stimulans om door te gaan. Op een gegeven moment ben ik ze gaan bundelen. Ze werden mijn eerste boek dat de vorm had van raamvertellingen.
Ik heb daarnaast verhalen gestuurd naar het literaire tijdschrift Vrijstaat Austerlitz, dat trouwens maar een paar jaar bestaan heeft. Die werden zo goed ontvangen dat een uitgever vroeg om een boek te schrijven, maar hem heb ik toen gezegd: “Sorry. Ik ben nu kinderboekenschrijver”. Als het andersom was gelopen was ik nu misschien een grotemensenschrijver geweest (lachend). Maar ik pas wel heel goed in wat ik nu doe’.

Supergroen is je eerste non-fictieboek. Hoe kwam je daartoe?
‘Non-fictie schrijven is voor mij vrij nieuw. Dat het juist dit boek werd kwam doordat ik voor dit voedselbos steeds in boeken en op internet informatie over mijn plantjes zat te vergaren en aan schrijven van verhalen te weinig toekwam. Tot mijn collega-schrijver Tineke Honingh, toen ik haar een middag enthousiast over de boterbloem had zitten vertellen, zei: “schrijf dit gewoon op. Daar zit een boek in”. Ze had gelijk, want ik had best veel te vertellen over schurken en helden die hier groeien’.

Waar kwam jouw idee om een voedselbos te beginnen vandaan?
‘Ik kom uit een heel academisch gezin met een vader aan de universiteit en een moeder die Engelse les gaf. Toch heb ik die liefde voor de natuur wel van mijn moeder. Zij had een eigen moestuin en zij heeft me zelfs aangemoedigd om het plan voor een voedselbos uit te voeren. Tot die tijd had ik mijn eigen volkstuintje omdat ik mijn kinderen wilde interesseren in de natuur en gezond voedsel. Mijn moeder is er beter in geslaagd dat idee aan mij over te brengen dan ik aan mijn eigen kinderen (15 en 22) trouwens (lacht). Mijn moeder is hier vaker dan ik om er te werken. Ze is mijn vennoot in deze onderneming’.

Goverde vertelt dat zijn vader wel meedenkt over de tuin: ‘Hij wil het liefst overal walnoten planten. Die staan er al heel veel, maar daar heb ik niks voor hoeven doen. Daar hebben de Vlaamse gaaien en eekhoorns voor gezorgd. Ik heb een paar bijzondere walnoten. De Rode Donau bijvoorbeeld. Die heeft rode noten in plaats van bruine. Dat is te zijner tijd interessant spul voor restaurants en bakkers. Uiteindelijk wil ik hier een productiebos van maken waar ik zelf van eet maar waaruit ik ook aan klanten kan leveren. Misschien komt er nog wel eens een vervolgdeel op Supergroen waarin ik walnotencultivars uit de doeken doe, of de eeuwige moeskool, of de eetbare hosta. Zo kan ik tig hoofdstukken vullen’.

Betrek je ook kinderen bij dit project of gebeurt dat alleen door je boek?
Op een paar uitzonderingen na haal ik hier nog geen kinderen naar toe. Ik zie het er wel ooit van komen, want ik vind kinderen hartstikke leuk’.

Nu is hij bezig met een boek over solarpunk. De naam is afgeleid van cyberpunk, dat nogal dystopisch is. Solarpunk is een beweging die juist optimistisch naar de toekomst kijkt op gebieden als klimaatverandering en afval, maar ook sociale ongelijkheid. Het is een apart genre in de science fiction.

Thijs bij de hut van wilgentakken

Je probeert je een voorstelling te maken van een wereld die helemaal duurzaam is; hoe zou je die vorm kunnen geven?
‘Ik heb in mijn concept bijvoorbeeld een systeem zitten waarin je plusjes en minnetjes krijgt voor je handelen. Je moet vooral die minnetjes zien te verdienen. Plusjes verzamel je als je altijd maar meer wilt hebben of te veel energie verbruikt. Het is een omkering van de tendens van nu waarin we maar steeds meer willen. In mijn boek is minder willen beter en je kunt dus beter minnen scoren dan plussen. Het speelt trouwens op een boerderij waarvan je kunt vermoeden dat het een voedselbos is, ook al gebruik ik dat woord niet’.

Slaan dergelijke boeken over een voedselbos of solarpunk ook aan bij kinderen?
‘Jazeker wel. Ik lees voor op basisscholen. Als ik over Supergroen vertel verschijn ik in deze tuinbroek, net zoals ik bij een avonturenboek kom als ridder met een maliënkolder en met een plastic zwaard om de juf te verslaan. Ik merk dan dat basisschoolkinderen ontzettend begaan zijn met milieu en klimaat. Ze beseffen echt, op die leeftijd al, dat de wereld een kant op gaat waar zij in de toekomst de lasten van dragen. Het beeld van TikTokkers die de hele dag op hun telefoon zitten is vertekend. Ze zijn echt bezorgd en stellen belangrijke vragen’.

We wandelen samen terug naar zijn kruiwagen. Hij gaat aan het werk. Op weg naar mijn fiets vraag ik hem nog of het wel meevalt met de ontlezing als zijn optredens in de klas zo’n succes zijn. Dat is wel degelijk een zorg, zegt hij: ‘Er verschijnen fantastische boeken over klimaat en milieu, maar die worden alleen buiten de school gelezen door een betrekkelijk kleine groep kinderen. De makke aan de ontlezing is de school zelf. Lezen is daar te veel geduwd in modellen en programma’s. Schoolboeken zijn niet de beste literatuur om kinderen aan het lezen te krijgen. Wat erin ontbreekt is de prikkeling van de fantasie’.

Schrijven is overigens niet alleen fantaseren, voegt hij daaraan toe. Hij noemt het frappante voorbeeld van het boek waaraan hij in 2021 begon en dat in januari 2024 zal verschijnen: ‘De titel is Eenbeen en het moest gaan over een soldaat die een been kwijtraakt. Daarvoor moest ik natuurlijk een veldslag verzinnen en dat werd in mijn idee een oorlog in een land ergens in Oost-Europa, dat door Rusland werd binnengevallen. Een paar maanden later, in februari 2022, begon de oorlog in Oekraїne. Waarmee ik maar wil zeggen dat fantasie ergens uit ontstaat. De dreiging van die oorlog hing natuurlijk in de lucht en dat voedde mijn verbeelding’.