Skip to content

Interview met Jef Aerts

In februari 2024 verscheen bij Querido Roversjong van de Vlaamse schrijver Jef Aerts, zijn negende jeugdroman. Roversjong gaat over een moederkloek die een vossenjong adopteert, met alle gevolgen van dien. Naar aanleiding van de publicatie van Roversjong, had ik in koffiehuis Gloria, in Herentals, een gesprek met Jef Aerts over zijn nieuwste boek en over de rest van zijn oeuvre.

Goedemiddag Jef. Je negende jeugdroman al, proficiat!
Dank je.

Nochtans debuteerde je als auteur voor volwassenen. Ik lees momenteel Rue Fontaine d’Amour (2008) en het valt me daarin op, dat de taal die je gebruikt en de wereld die je schetst veel harder is dan die in je kinderboeken.
(kleine stilte, dan glimlachend) Dat klopt. Op zich is dat natuurlijk niet abnormaal, maar het is misschien ook wel daarom dat ik nu alleen nog boeken schrijf voor kinderen en jongeren. Rue Fontaine d’ Amour was eigenlijk al een overgangsboek. Een journalist maakte over dat boek de bedenking dat het, mits wat aanpassing, een Young Adult roman had kunnen zijn en dat klopte eigenlijk wel. Na de verschijning van Rue Fontaine d’Amour ben ik mij beginnen afvragen wie ik eigenlijk was en wat ik écht wou schrijven. Het drong toen tot mij door dat dat kinderboeken en jeugdromans waren en dat is wat ik sindsdien doe. De wereld van kinderboeken past gewoon ook veel beter bij mij.

In jouw boeken speelt de natuur altijd een grote rol en in bijna al je boeken komen dieren voor, maar Roversjong is je eerste boek waarin dieren de hoofdpersonages zijn. Was het anders om zo’n verhaal te schrijven? En wat heeft je doen kiezen voor kippen en vossen?
(denkt na) Hmm, ja en neen. Ik vond het in elk geval wel erg leuk om eens te doen. Ik vind soms dat dieren als personages in boeken wat te kort worden gedaan. Ik heb met dit boek een parabel willen schrijven. Het verhaal gaat over een kippengemeenschap, maar natuurlijk is het in de eerste plaats een verhaal over mensen. Kippen en vossen, dat is een wereld die ik goed ken. Ik heb meer dan 100 kippen en vlakbij onze boerderij is er een vossenburcht, waar elk jaar jonge vossen geboren worden. Dat is natuurlijk een moeilijk evenwicht. Wij willen daar graag wonen, mét kippen, maar die vos woont daar ook graag en was daar bovendien eerst. We proberen onze kippen zo goed mogelijk te beschermen, maar soms gaat het fout.

Hoe bedoel je?
Op een ochtend in 2022, vond ik in onze wei zestien kippen en onze oude haan, allemaal dood. Die avond zag ik op televisie beelden van Oekraïners die uit hun schuilkelder kwamen en moesten vaststellen dat hun hele dorp verdwenen was en dat veel van hun dorpsgenoten gevlucht waren. Dat beeld van die volkomen ontredderde mensen kwam in mijn hoofd op de een of andere manier samen met het beeld van de dode kippen in onze wei. Ik ben toen onmiddellijk ’s nachts beginnen schrijven; iets wat ik anders nooit doe. Ik kwam toen ook al meteen bij de naam ‘Vera’ uit, voor de moederkloek. ‘Vera’ betekent zowel in het Russisch als in het Oekraïens ‘waarheid, geloof, trouw’. Dat is immers ook wie Vera is. Het is natuurlijk ook gewoon een goeie kippennaam (lacht), maar hij getuigt toch ook van een veel grotere gelaagdheid. Ik heb met de oorlog verder niet veel gedaan in mijn boek. Je kan wel een analogie zien tussen Vera, die zich in de struiken heeft teruggetrokken om haar jongen uit te broeden en de mensen die voor het oorlogsgeweld schuilden in hun kelder. Allebei vinden ze een slagveld terug, wanneer ze weer tevoorschijn komen. Roversjong gaat ook over vluchtelingen en over het gevoel van ontheemdheid waar zij mee geconfronteerd worden. Voor mij gaat het dan over de vraag of je mensen vooral als mensen ziet of als een onderdeel van het systeem, waarvan ze deel uitmaken. Kan je daar nog doorheen kijken?

In veel van je boeken is één, of beide ouders op de een of andere manier afwezig, terwijl je in dit boek juist over een echte moederkloek schrijft, letterlijk en figuurlijk. Vanwaar in dit boek zo’n andere ouderrol?
Voor kinderen is hun plek vinden in de relatie met hun ouders vaak een belangrijke drijfveer. Verbinding voelen met hun ouders is fundamenteel, maar zich ervan losmaken en zelf in actie komen is dat evenzeer.
Als je over kinderen schrijft, moet je schrijftechnisch ook sowieso iets doen met de ouders. Twee ouders is vaak te veel in een verhaal. Bovendien is leven in een traditioneel rustig en evenwichtig gezin voor een kind in realiteit misschien wel interessant, maar om daarover te schrijven en te lezen misschien minder. Zo’n afwezige ouder of grootouder is dus een dankbare manier om je verhaal op scherp te zetten. Het is in zo’n situatie vaak onvoorstelbaar wat voor geks een kind gaat bedenken om toch maar contact te hebben met de afwezige ouder. Het is ook een realiteit waar heel wat kinderen mee leven. Gelukkig keert zo’n situatie zich met de tijd vaak weer.
Daarnaast wou ik al lang iets schrijven juist over die zorgende energie, over die onvoorwaardelijke liefde, over durven liefhebben. Aan kinderen tonen dat dit bestaat, vind ik wel heel belangrijk. Ik heb Roversjong ook niet voor niets opgedragen aan mijn moeder! (lacht)

Naast de relatie tussen ouders en kinderen, speelt vriendschap ook altijd een grote rol in je boeken, zoals bijvoorbeeld hier de vriendschap tussen Vonk en Pojke. Neemt vriendschap in jouw leven ook een grote plaats in?
Zeker wel. Vriendschap is in verbinding gaan met anderen, is dat durven doen. In mijn boeken zijn kinderen vaak eerder al gekwetst. Je dan toch weer durven openstellen is niet evident; dat is erg moedig. Gelukkig ontdek je dan vaak: ‘oh, het kan wel’.
Ik richt me in mijn boeken vooral op kinderen in de basisschoolleeftijd. Voor die kinderen is vriendschap erg belangrijk en naast de band met hun familie de belangrijkste verbindende emotie. Ik schrijf niet vaak over grote verliefdheden, omdat dat voor de meeste kinderen van die leeftijd nog niet altijd prioriteit heeft. Al is er soms wel een zweem van verliefdheid te bespeuren tussen mijn personages. Dat maakt het verhaal dan ook weer spannender. Maar ik vul die verliefdheid niet expliciet in, ik houd het meer open.

Moederkloek Vera adopteert een achtergebleven vossenjong. Nochtans geen gewone alliantie: een kip en een vos?
Neen, maar dat was een heel bewuste keuze. Als je uit je schuilplaats komt, zo’n slagveld vindt en vaststelt dat er niemand meer overblijft, behalve een kind van de vijand, dat òòk alleen is en bovendien hartverscheurend huilt, wat doe je dan? Hoe menselijk – in dit geval dierlijk – ben je dan? Op zich een eenvoudig idee, maar het raakt aan zoveel verschillende dingen. Kinderen snappen dat ook meteen, ze zien de tegenspraak niet. Ja, vossen eten kippen, maar moet dat eenzame vossenjong daarom maar alleen blijven? Moet je als kind gestraft worden, voor wie je ouders zijn?
Het gaat ook over vooroordelen. Ik vind dat we die veel te veel hebben en als een kind vooroordelen heeft, raakt me dat nog meer. De stem die een kind later zal hebben, is ook maar het gevolg van de stemmen die het gehoord heeft. Dat discours neemt een kind in zich op en begint het na verloop van tijd na te vertellen. Dat is zo jammer, want dat discours klopt vaak niet. Alles wat over vossen gezegd wordt, weet Vera ook; ze kent de vooroordelen. Maar het is niet wat ze zelf voelt als ze het vossenjong daar zo zielig ziet zitten en uiteindelijk kiest ze voor haar gevoel, al blijft ze heus ook haar verstand wel gebruiken.

 ‘Wat heb ik grote oren!’
‘Dat is om mij altijd goed te kunnen horen.’ 
Een verwijzing naar Roodkapje? Een grote gelaagdheid en cultuurhistorische verwijzingen, vind ik trouwens terug in al je jeugdromans?
Ik zie niet in waarom een kinderboek of jeugdroman eenvoudiger of minder gelaagd zou moeten zijn, dan een boek voor volwassenen. Ik wil mijn lezers niet onderschatten. Kinderen kijken en lezen vaak juist met een opener blik. Je werkt ook met archetypes. Als ik lezingen geef voor kinderen, snappen die dat meteen. Ze gaan daar helemaal in mee. Voor kinderen zijn veel dingen nog vanzelfsprekend, die dat voor volwassenen niet meer zijn.

Je boeken zijn steeds geworteld in de realiteit, maar er zit ook altijd veel fantasie in, een dosis hoop én humor.
Fantasie geeft de lezers een plek om de realiteit, die niet altijd rooskleurig is, draaglijk en behapbaar te maken. Ik vind beide belangrijk. Daarnaast vind ik het inderdaad ook van wezenlijk belang om het in mijn boeken over hoop te hebben. Zeker als je voor kinderen schrijft is dat essentieel, maar ook voor mezelf. Het hoeft niet allemaal goed af te lopen, maar ik vind niet dat je je lezers zonder hoop het bos in kan sturen. Er is al genoeg spanning en hardheid in de wereld.
Ik wou voor dit boek heel graag opnieuw met Martijn van der Linden samenwerken. We deden dat ook al voor De blauwe vleugels. Ook nu vind ik zijn illustraties weer bijzonder goed geslaagd. Martijn maakte voor dit verhaal erg realistische achtergronden, terwijl sommige figuurtjes dan weer iets animatiefilmachtig hebben en erg grappig zijn. (lacht) Zo combineert hij mooi fantasie en realiteit en hij doet dat met veel gevoel voor humor. Ik hou van humor, vooral van de zachte, milde vorm ervan. Cynisme, sarcasme, ironie zijn stijlfiguren die ik haast nooit gebruik. Ze zijn vaak voor interpretatie vatbaar en je weet nooit hoe ze overkomen bij je lezers. In boeken voor volwassenen, wil men dat vaak juist graag, die dubbelzinnigheid, dat soort conflict. Dat is natuurlijk prima, maar mij ligt dat gewoon niet.

Vonk worstelt met zijn identiteit, maakt zich los van Vera en gaat op zoek naar zichzelf. Dat zelfbeschikkingsrecht van kinderen vind ik in veel van je boeken terug. Zo mooi ook dat je Vonk hier en in De blauwe vleugels Jadran, ‘buitengewoon’ noemt.
Ik wil mijn personages niet al op voorhand stigmatiseren met hun ‘beperking’ of hun anders-zijn. Uiteindelijk is die beperking ook maar een stukje van wie ze zijn; iedereen worstelt wel met iets. Aan mijn lezers meegeven dat ze zelf ook dingen kunnen doen, vind ik cruciaal. In De blauwe vleugels en De nacht van Ronke zijn de hoofdfiguren Jadran en Ronke kinderen met een beperking. Misschien is het niet altijd helemaal geloofwaardig wat ze in mijn boeken doen en kunnen, maar ik vind het wel heel belangrijk dat ze de hoofdrol spelen en dat ze zelf actie ondernemen. Als ik praat met kinderen met een beperking, vinden zij het trouwens altijd wèl geloofwaardig wat Ronke en Jadran doen en kunnen. (lacht).

‘Weet je waarom ik oude mensen zo mooi vind? Er woont een vlinder op hun gezicht. Als je lang genoeg kijkt, kan je hem zien zitten. Daar tussen al die lijntjes en barsten rond de ogen en de mond slaapt een insect. Een vlinder van gekreukt papier. ‘ Een citaat uit Paard met laarzen. Waar haal je zo’n prachtig beeld toch vandaan? Je boeken staan trouwens vol hele mooie zinnen. Niet vanzelfsprekend in kinderboeken?
Je zal het misschien niet geloven, maar het originele beeld komt van mijn toen achtjarige dochter: ‘Kijk papa, die mensen hebben een vlinder op hun gezicht.’ Ik heb dat beeld dan verder uitgewerkt. Onlangs kwam er bij een lezing een meisje mij vertellen, dat ze dit stukje had voorgelezen tijdens de uitvaart van haar oma. Dat raakt me dan wel.
Als kind ging ik ook veel om met oude mensen. Als jongste duivenmelker in het dorp ging ik vaak bij veel oudere duivenmelkers op bezoek en we brachten uren door bij de duiven. Tot bleek dat ik neiging had tot allergie. Daarom ben ik nu maar overgestapt op kippen! (lacht). Al zijn die ook niet helemaal ongevaarlijk, wat allergie betreft.
In sommige kinderboeken is er vaak minder aandacht voor taal; dingen worden vereenvoudigd en er worden bepaalde formules telkens opnieuw gebruikt. Dat vind ik jammer, want zo neem je kinderen niet serieus en onderschat je hen. Ook kinderen kunnen genieten van taal, kunnen er lichtheid en troost in vinden.

Begrafenissen, dood, maar ook: dansen. Je gaat de emoties niet uit de weg in je boeken. Toch zijn je boeken niet sentimenteel. Dat lijkt me niet altijd evident?
Er gebeuren nu eenmaal ook erge dingen; mensen of dieren worden ziek, krijgen een ongeluk, gaan dood. Dat hoort bij het leven en dat kan je ook aan kinderen laten zien. Ik probeer dat subtiel te verwoorden in mijn verhalen, maar toch ook nuchter en feitelijk. Dansen zie ik dan weer als iets uiterst positiefs, als een teken van levensvreugde, van vrijheid, van lichtheid. Dansen als tegengewicht voor verdriet en zwaarte. Die lichtheid wil ik zeker ook tonen in mijn boeken.

Groter dan een droom gaat over je overleden zusje. Hoe reageerden je ouders daarop? Neemt dat boek een bijzondere plaats in je oeuvre in?
Het is eigenlijk het eerste kinderboek dat ik schreef, ook al werd Het kleine paradijs eerder uitgegeven. Toen mijn zusje overleed, was mijn broer ongeveer één jaar en was ik nog niet geboren. Dat heeft impact, ook al hebben onze ouders erg hun best gedaan om ons daar niet mee te belasten. Er wordt toch anders met je omgegaan; dat verlies is er nu eenmaal. Je voelt als kind dat er iets is, al weet je nog niet goed wat. Er werd zeker wel over gepraat in ons gezin, maar op die gesprekken zat een bepaalde lading die je als kind nog niet kent. Dit is het enige boek dat ik eerst aan mijn ouders heb laten lezen. Ze waren erg ontroerd en blij te lezen dat mijn broer en ik het ook een plaats hebben kunnen geven. Ze vonden het fijn te merken dat ons zusje ook bij ons nog voortleeft, al hebben we haar niet echt gekend.

Heeft je uitgever voor Groter dan een droom Marit Törnqvist als illustrator gekozen, of was jij dat zelf?
Dat was ikzelf en dat was eigenlijk helemaal niet evident. Marit was toen al een bekende illustrator en zelf had ik nog niks voor kinderen gepubliceerd. Bovendien illustreerde Marit toen al niet zo vaak meer boeken van andere auteurs. Het is eigenlijk wel een bijzonder verhaal. Marit woonde een congres bij waar het onder meer ging over hoe omgaan met de dood in kinderboeken, toen ze via Querido, het manuscript van Groter dan een droom ontving, met de vraag of ze het boek wou illustreren. Heel die dag was er geen echte klik geweest tussen haar en de boeken die aan bod waren gekomen op het congres. Tot ze ’s avonds in haar hotelkamer het manuscript van Groter dan een droom binnenkreeg. Ze heeft toen meteen aan de uitgeverij laten weten dat ze het boek graag wou illustreren. Samenwerken met zo’n onbekende auteur was voor haar een risico en ik ben nog steeds heel erg blij dat ze dat genomen heeft. Marit heeft anderhalf jaar gewerkt aan dat boek. Ze is zelfs drie dagen naar de buurt gekomen waar ik ben opgegroeid. Samen hebben we toen onder andere het kerkhof bezocht waar mijn zusje begraven is. Het was een bijzondere samenwerking en ik ben erg blij met het resultaat.

Kan je altijd zelf de illustratoren van je boeken kiezen?
Ik kan altijd naar iemand vragen, in overleg met de uitgeverij. Of het dan ook die illustrator wordt, hangt natuurlijk ook af van interesse en agenda. Dat samenwerken met een illustrator is een boeiend proces. Bij sommige illustratoren word je vanaf het begin bij het proces betrokken en is er vaak overleg. Bij andere zie je de illustraties pas als ze zo goed als klaar zijn. Het is altijd weer verrassend om de illustraties te zien. Je hebt immers een beeld van je boek en je personages en de illustraties beantwoorden natuurlijk nooit helemaal aan dat beeld. Je ziet dan wel dat ze bij je verhaal passen, ook al zaten er in jouw hoofd andere beelden. Heel boeiend om dat zo naast elkaar te zien.

Ontstaan jouw verhalen organisch of weet je bij het begin al welke kant het opgaat?
Ik vertrek meestal vanuit de personages; die ken ik vrijwel meteen. Ik plaats de personages ook al van in het begin in een bepaalde setting. Meestal ligt er aan de basis van mijn verhaal ook een bepaald beeld, iets wat er gebeurd is, een bepaalde actie die ondernomen is. Zoals bijvoorbeeld onze dode kippen en de oorlogsslachtoffers in Roversjong. Ik vind het elementair dat mijn personages op de één of andere manier verbinding kunnen maken met elkaar. Hoe dat gaat gebeuren in het verhaal, weet ik meestal ook op voorhand. Ik heb altijd een duidelijke basisstructuur en ik weet ook waar ik wil eindigen. Maar tijdens het schrijven evolueert het verhaal wel nog in verschillende richtingen en kom ik hier of daar terecht.

Er zit ook altijd verandering, groei in je boeken en je ‘slechte’ personages zijn nooit helemaal slecht. Ik denk bijvoorbeeld aan de kip met de kuif in Roversjong of aan opa Darius in De nacht van Ronke, die eerst wel, maar later net helemaal niet slecht blijkt te zijn.
Ik probeer altijd om in mijn verhalen een positieve verandering te laten gebeuren; het gaat altijd naar iets hoopvols. Het gaat vaak niet om supergrote veranderingen, en soms verandert de situatie nauwelijks, maar wel hoe de figuur erin staat. Een personage krijgt nieuwe inzichten, gaat anders met een situatie om, onderneemt actie, … Die groei, die ontwikkeling van een personage, dat is voor mij inderdaad essentieel.
De slechte personages, zijn ook maar stukken van mezelf. Ik denk niet dat ik al ooit over een echte slechterik heb geschreven. (lacht) Dat zou ik trouwens ook niet zo interessant vinden om te doen.
Ik vertrek meestal vanuit dingen die echt gebeurd zijn, vanuit situaties die ik zelf goed ken. Voor mij is het belangrijk om bij het schrijven te vertrekken vanuit iets waar ik bijvoorbeeld zelf boos of verdrietig om geweest ben. Hoe beter ik de basisemotie waarover ik het heb, ken, hoe meer fantasie ik eraan toe kan voegen. Zo blijft het verhaal authentiek, zelfs als ik er de meest rare dingen aan toevoeg. Als in de kern de emotie klopt, maakt het niet uit wat er gebeurt, hoe gek ook, dan blijft het kloppen. Als ik alleen maar zou fantaseren, zou dat voor mij leeg voelen.
Opa Darius in De nacht van Ronke is zo ook gebaseerd op een reële situatie die ik ken. Als je als grootouder door omstandigheden geen contact meer kan hebben met je kleinkind, wat doe je dan? Wat voor gekke dingen ga je dan verzinnen om je kleinkind toch eens te kunnen zien?
Ik wil graag dat mijn boeken naast magisch en realistisch, ook waarachtig zijn. Om dat te bereiken, is het voor mij nodig om te vertrekken vanuit situaties en emoties die ik ken.

Mag ik besluiten met te zeggen dat jouw werk vertrekt vanuit zachtheid, vanuit subtiliteit, omdat dat misschien ook wel is wie jij bent?
(glimlacht) Dat mag je.

Dank je wel voor het fijne gesprek, Jef.
(glimlacht weer) Heel graag gedaan.

 

Lees ook de recensie over Roversjong.