Skip to content
Column door Petronella Catharina

Ik wil een poes

Dieren zijn soms plaatsvervangers voor familieleden of vrienden. Vooral voor kinderen van een emigrantengezin. Voor kinderen die de taal van het nieuwe land nog niet spreken, opa’s en oma’s missen, niet goed weten hoe ze zichzelf verstaanbaar kunnen maken in een wereld die ineens anders is geworden. Een huisdier wordt dan een eerste, vertrouwde vriend.

Mijn eigen kangoeroetje
‘Ik wil een kleine kangoeroe,’ hoor ik één van mijn dochters weer zeggen toen we ons eerste huis in Australië kochten en de kinderen door de enorme achtertuin renden. ‘Dan noem ik hem Skippy. Mama, mag ik een kangoeroe? Please?’

Als dierenliefhebber op afstand (een eufemisme voor alsjeblieft geen dieren in huis waar ik voor moet zorgen), was ik heel blij dat ik haar kon vertellen dat kangoeroes geen huisdieren zijn en in het wild leven. Dat er soms kangoeroes bij ons in de tuin komen, maar dat het nog steeds wilde dieren zijn die we niet zomaar kunnen aaien.
‘Dan wil ik een paard,’ zei mijn dochter die duidelijk maakte dat dieren haar vrienden waren.
‘We kunnen dit aankomende weekend samen naar de manege gaan,’ opperde ik. ‘Dan mag je paardrijden.’
Blij dat ik mijn dochter een beetje tegemoet kon komen en een verheugde blik op haar gelaat zag, verdiepte ik me in het verzorgen van de rozenstruik.
Mijn dochter trok aan mijn arm en zei op standvastige toon: ‘Ik wil een eigen dier, mama. En niet een beest in een kooitje.’
Maar ik zei: ‘Nee!’

Verwaarloosd
Een paar weken later kwam ze stralend thuis met een gevonden poesje. Het beestje was duidelijk verwaarloosd maar lag dankbaar in mijn dochters armen. De aandoenlijkheid van dat beeld, de zorg en liefde die mijn kind liet zien smolt mijn hart en toen ze opnieuw vroeg of ze de poes mocht houden, zei ik: ‘Ja.’ Vervolgens gaf ik een preek over de verantwoordelijkheid die ze moest dragen in het verzorgen van een beest, maar ik zag dat mijn dochter een taalloze vriendschap had gesloten en zich al een beetje verbond aan het nieuwe land.

Ik wil een poes
Door mijn dochters aanhoudende vraag om een huisdier herinnerde ik me ineens een boekje dat zij in Nederland voor haar tweede verjaardag gekregen had en dat nog in een verhuisdoos lag. Ik ging op zoek en ’s avonds las ik haar Ik wil een poes, geschreven door Tony Ross, voor.

We schaterden samen om de hoofpersoon Maaike die net als mijn dochter, aanvankelijk tevergeefs, een huisdier wilde en uiteindelijk besloot om zelf voor poes te spelen, met alle gevolgen van dien en met een verrassend einde. Een vermakelijk boek en toen ik de zin ‘Die ouders van tegenwoordig hebben ook niets meer voor hun kinderen over,’ las, sloeg mijn dochter haar armen om me heen en zei: ‘Maar jij wel, hé, Mama, want ik mocht Pluisje van jou houden.’

Ik wil een dinosaurus
Mijn kinderen settelden in het nieuwe land. Pluisje overleed op oudere leeftijd en na Pluisje kwam Bart de labrador, die stierf toen de kinderen volwassen waren. Maar het boekje Ik wil een poes reisde bij iedere verhuizing mee en toen ik het mijn kleinzoon laatst voorlas, schaterde hij net zoals zijn moeder jaren geleden deed.
‘Oma,’ zei hij met een twinkelende blik in zijn ogen, ‘Ik wil een dinosaurus.’ Hij stond op en met een verbeeld geluid van een dinosaurus brulde en stampvoette hij door de kamer.