Skip to content
Dat stomme boek

Een stom boek?

Ik verdwaalde in mezelf, reflecteert de vijftienjarige hoofdpersoon en verteller Ivan aan het eind van Dat stomme boek. De 10+ -jeugdroman uit 2013 van Tiny Fisscher beleeft dit jaar alweer zijn negende druk. Het is een boek met veel vaart en met de nodige humor. Een heftige queeste naar een verdwenen vader houdt de spanning er voortdurend in en het nuchtere, opstandige en relativerende commentaar van hoofdpersoon ‘Iev’ zal voor veel tieners herkenbaar zijn.

Ook de lezer kan verdwalen in deze raamvertelling. Ivan en zijn zusje moeten met hun moeder mee op zoek naar hun vader. Die tocht leidt hen via Maastricht, Aken en Keulen naar Berlijn. Ondertussen maakt Ivan, die op school in een ‘kneuzenklas’ vol leerlingen met dyslexie, ADD, Asperger, PDD-NOS en OCD zit, van de nood een deugd. Hij besluit zijn schoolopdracht voor Nederlands, ‘schrijf een boek’, serieus te gaan nemen en maakt de zoektocht naar zijn vader onderwerp van de opdracht. Bovendien wil hij, als hij eenmaal op stoom is, winnaar worden van de wedstrijd bij deze ‘ludieke opdracht’: overtref jezelf! Hij krijgt het voor elkaar zich soms maar liefst drie kwartier te concentreren op het schrijven, waarmee hij zich als erkend ADHD’er met een tot dan toe maximale spanningsboog van een kwartier meer dan overtroffen heeft. Dwaalsporen in zijn verhaal leiden langs een roodharig meisje dat hij onderweg telkens weer tegenkomt, langs zijn paniekaanvallen, langs een schijnbaar onbetrouwbare moeder en uiteindelijk tot twee verrassende en schokkende plottwists.

Vader en zoon
Als het boek begint zit Ivan in een tussenuur van school met zijn vrienden Kick, Babs en Erik in een snackbar. Hij wordt gebeld door zijn moeder en moet direct naar huis komen. Met tienjarige zus Jolien en in de haast gepakte koffers vertrekken Ivan, Jolien en moeder in hun oude Volvo naar het zuiden. Gaandeweg wordt voor de lezer meer duidelijk over de vermiste vader. Hij heeft een gymnasiumopleiding en een universitaire studie achter de rug, is nu een bijna BN’er als stand-upcomedian, heeft een bipolaire stoornis die hem bij tijden onberekenbaar maakt en weigert zoals meer mensen met deze diagnose daarvoor medicatie te gebruiken, want ‘die maakt je duf’. Hij is een ‘kei in rechtlullen wat krom’ is, zegt Ivan. Vóór hij Ivans moeder ontmoette, leefde hij als een flierefluiter in een oude woonwagen zonder elektriciteit. Hij verdiende zijn geld door hier en daar op te treden met een bandje. ‘Misschien was hij toen wel op z’n gelukkigst’, schrijft Ivan, ‘ongebonden, geen vrouw, geen kinderen, vrij.’

Ook over Ivan krijgt de lezer meer te weten. Hij houdt van taal wat aangewakkerd wordt door zijn vader, die net als hij van taalspelletjes houdt, en door het wordfeudspelletje dat hij met schoolvriend Alex uit klas vier speelt. Zijn taalliefde krijgt op een grappige en natuurlijke manier vorm in het verhaal. ‘Wis en waarachtig’, ‘balorig’, ‘geheid’ en vele andere ‘bijzondere’ woorden leert hij van zijn vader, ‘pathetisch’ en ‘meug’ bijvoorbeeld via wordfeud. Ivan bevraagt uitdrukkingen als ‘een gezicht als een oorwurm hebben’ (zit die in je oor en hoe kan je dan z’n gezicht zien?) en woorden als ‘verkeren’, waarbij en passant Bredero’s beroemde motto ‘het kan verkeren’ langskomt. Natuurlijk is hij ook een gewone tiener met aandacht voor meisjes, een hekel aan schoolopdrachten en humoristische en scherpe observaties en meningen. ‘Je hebt [je vaders] humor’, zegt z’n moeder. Ivan hoopt ‘dat het daarbij blijft’.

Geschiedenis en andere lessen
Door Ivans onbevangenheid en nieuwsgierigheid leert de jonge lezer ook voortdurend bij. Vader houdt van Duitsland omdat dat het land van Goethe is. De zin ‘Ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt’ uit de film Der Blaue Engel (1930) die Ivan op school bij Duits heeft gezien, komt spontaan bij hem op na een panieksituatie in een Duits Gasthof. In Berlijn leert hij over de ‘muurziekte’ en ziet hij op een kerkhof een gedenksteen voor overleden Oost-Duitsers. Uitgebreid wordt de geschiedenis van de bouw en vooral val van de Berlijnse muur beschreven, al was het alleen al omdat die gebeurtenis op 9 november 1989 Ivans ouders bij elkaar heeft gebracht. Vrolijke intertekstualiteit is er in de verwijzing naar Ivanhoe. ‘Onvervaard gaan wij te paard met Ivanhoe’, zingt zus Jolien als ze haar broers naam in het Engels uitspreekt!

Jeugdboeken bevatten vaak veel thema’s en motieven. Zo komen in dit boek via de leraar levensbeschouwing van Ivan kort ook geloof en liefde langs. Leraar Ahmed mocht van zijn islamitische vader en christelijke moeder zelf kiezen waarin hij wil geloven. Het is de islam geworden. Hij heeft een relatie met een man en legt uit dat de Koran ‘niet oordeelt over geaardheid.’ Twee jongens uit Ivans klas vallen op jongens, zijn vriendin Babs is lesbisch en de tienjarige Jolien naar eigen zeggen ook, want jongens zijn stom. Goedbedoeld wordt zo de ‘gewoonheid’ van anders-zijn benadrukt.

‘Niets is voor niets’ zegt Ivans moeder. Ivan heeft dit boek geschreven om uit te vinden of ze gelijk heeft. Hij spreekt de lezer in het begin waarschuwend toe: ‘Dit het stomste boek is dat je ooit in je handen hebt gehad.’ Langzaam maar zeker is hij echter zelf gaan geloven in het project. Hij heeft een vorm gekozen voor zijn verhaal, dwaalsporen uitgezet, ‘als een echte schrijver’ informatie opgezocht en uiteindelijk de waarheid opgeschreven en daarmee de schokkende werkelijkheid van zich afgeschreven. Het resultaat is helemaal geen stom boek.

 

 

 

 

 

Dat stomme boek
Verschenen bij: Uitgeverij Volt
ISBN: 9789021489742
160 pagina’s
Prijs: €12.50
Verschenen: 2024